Robert Adries Kool was mijn vader. Hij overleed op 2 maart 2017. Na een harttransplantatie liep hij een infectie op die hem een paar weken later fataal werd. Alles in zijn macht had hij gedaan om sterk genoeg te zijn voor de ingreep. Na het herstel zou hij gaan trainen voor de Alpe d’Huzes. De mogelijkheden waren eindeloos en zijn leven zou opnieuw beginnen.
Wanneer ik weer eens denk niet voor het geluk geboren te zijn - iets dat iemand met 4 vinkjes moet nalaten - corrigeer ik dit zelfmedelijden door stil te staan bij de beproeving die zijn bestaan was. Het leven van de meesten hangt vaak van lullige tragiek aan elkaar.
Mijn vader had een authentiek gevoel voor humor, voor zover ik authenticiteit in de mens kan beoordelen. Toen hij een delier kreeg na zijn operatie, versterkt door een infectie, bleek zijn humor een van de weinige ‘oude eigenschappen’ die af en toe nog door de wirwar van waanzin brak.
Het werd mij duidelijk dat de man die vanachter het raam vrolijk naar mij zwaaide toen ik een week voor zijn opname terug naar huis reed, onder deze waanzin bedolven was. De man waarover we van verzamelde specialisten hoorden dat hij het aan het verliezen was, maar die stug doorvocht, zijn modus operandi. De man die ik niet meer terug zou zien.
Hoewel hij slechts de eerste vier levensjaren in Amsterdam opgroeide, waarna zijn ouders naar Nieuwenhagen in Limburg verhuisden, voelde mijn vader zich een Amsterdammer. U vindt mij aan uw zijde als u dat niet begrijpt. Hoe dan ook stoorde het hem dat hij in een kamer lag met uitzicht op de Euromast.
Lieve Rotterdamse vrienden hielden regelmatig een oogje in het zeil wanneer mijn moeder even niet bij hem was. Hij had een sterke fascinatie voor zijn telefoon ontwikkeld. Dit leek onschuldig, totdat een van de vrienden ternauwernood voorkwam dat hij 200 mondharmonica’s bestelde. Een andere oude eigenschap van mijn vader die daarmee door de waanzin brak, was het constant ontwikkelen van nieuwe fascinaties.
De waanzin nam niet af. Omdat hij begon te plukken, soms agressief deed en wilde ontsnappen, waarbij hij een keer zo hard uit het bed kletterde dat zijn halve gezicht gezwollen en blauw was, werd hij gefixeerd: met banden aan zijn bed vastgebonden. Dat is niet niks. Hij ontwikkelde een interesse in messen en scharen.
Medici verloren elke slag tegen de oprukkende ontstekingen. Hij hield te veel vocht vast. Een gat in zijn borstkas bleef open om ingrepen waarbij vocht werd verwijderd makkelijker te maken. Een van de laatste dagen dat ik hem zag, zat ik tegenover hem. Ik keek recht in de zwarte leegte waar normaal huid en borstbeen zaten. Er keek niets terug.
Die ochtend dacht hij een limousine met Turkse vlaggetjes te hebben gezien. “Wisten jullie dat Turken heel lang zijn? Ze hebben enorme lijkwagens.” Even later: “Neem me mee. Je kunt me gewoon meenemen naar huis.” Wanneer ik op hem geleken had, had ik het gedaan.
Mijn moeder meende dat zijn verwarde gedrag kwam door het plots stoppen met antidepressiva. Specialisten ontkrachtten dit, maar ook deze kant van de familie is goed in zelf wel uitmaken hoe het zit. Met extern falen valt beter te leven dan met lullige tragiek. In de nacht van 2 maart belde ze. Mijn ringtone, een trompetsolo van Louis Armstrong uit een bijzonder swingende variant van “Mack the Knife”, luidde de onheilstijding in.
Het hebben van kinderen lijkt me wreed. De klucht stopt bij mij. Het goed geweest. U wint.